
Er zijn twee maanden verstreken sinds het vuur Cala Benirrás verwoestte. Hoewel het weinig heeft geregend, loopt het ons op Ibiza koud over de rug telkens als we een helikopter naar het noorden zien vliegen. Dus zijn we, met een beetje een benauwd hart, teruggegaan om Cala Benirrás na de brand te bekijken. En dit is wat we aantroffen.
Aankomst in Cala Benirrás.
Het is vier uur ‘s middags en we verlaten de Feria de las Bestes in Santa Gertrudis met een volle maag. Omdat de middag nog lang is, nemen we de weg naar Sant Miquel (San Miquel) tot we een afslag naar San Lorenzo (Sant Llorenç) vinden. Bij het bordje van de Pou d’Aubarqueta slaan we af richting Cala Benirrás. In heel het noorden van Ibiza is er geen landelijker landschap. Een enorme vallei, omringd door heuvels. Naar het oosten geven de eerste donkere plekken boven het bos een idee van hoe groot de brand was. Het landschap op de heuvels lijkt op een herfst in het verre oosten van Europa. Maar dit is Ibiza, en hier overheerst twaalf maanden per jaar het groen op de bergen.

Verdwalen kun je hier niet, en bij de ingang van de baai, waar de bochten scherper worden, dringt een brandlucht door de ventilatieroosters van de auto. We zijn aangekomen in het gebied waar de brand begon, en het landschap is troosteloos. De opruimwerkzaamheden, die ook op zondag doorgaan, hebben het struikgewas weggehaald en veel stammen omgezaagd. Die liggen langs de weg. De heuvel ziet eruit als een afgebrande lucifer. Je ziet goed hoe de vlammen tot op de top van de berg zijn gekomen en de bomen bovenaan hebben verbrand. Een paar pijnbomen, ver van de vuurhaard en op de helling, zijn ontsnapt.
Het zicht op de brand vanaf Cala Benirrás.
Op het strand zetten we de auto neer, voor de zekerheid ver van de pijnbomen, en lopen we naar een van de strandtentjes voor een koffie. Het is vijf uur en je hoort een paar trommels, wel heel zachtjes. Er zijn mensen in het water. Het is oktober. Het strand heeft niets van zijn pracht verloren, al word je stil bij de gedachte aan de mensen die de zee in moesten vluchten voor de rook. Als we over het strand lopen en achteromkijken, proberen we te begrijpen hoe angstig het moet zijn geweest om het vuur op de rechterheuvel te zien. De resten van de brand zijn nog te zien.
Na een tijdje vergeten we de heuvel en kijken we een poosje naar de zee. De rotspunt die uit het water oprijst, wie weet hoeveel meter hoog, valt iedereen op. Het houten terrasje, van wie weet niemand, wordt door mensen gebruikt om even te zitten en uit te rusten, met uitzicht op de torre des Molar. Ooit ga ik daar eens heen, maar als je de afgrond ziet waar hij boven uitsteekt, vergaat je eerlijk gezegd de zin.
Er zijn een paar uur verstreken sinds we in Cala Benirrás aankwamen, en de trommels klinken steeds harder. Voor sommigen is het tijd om naar huis te gaan. Anderen komen net aan, met nog meer trommels netjes in hun hoes. Misschien is het tijd om liederen te zingen voor een Fenicische godin en haar te vragen haar berg snel te laten herstellen, net als alle andere die na de brand in vlammen opgingen.

Meer informatie en foto’s op de pagina van Cala Benirrás
